De fictieve raadsman

16 januari 2014

De fictieve raadsman

Er vallen vrijwel nooit meer brieven op de mat. Des te opmerkelijker dat er ineens een brief van een nicht uit Nieuw-Zeeland ligt. Zou ze geen mail hebben? In keurig handschrift vertelt ze dat haar moeder bij haar is ingetrokken. Of ik niet eens wil bellen? Een inspanning van niets, en toch aarzel ik. Zal het bij één keer bellen blijven? Kan ik mijn tijd niet beter besteden aan mijn ernstig zieke vriendin met wie ik sinds jaar en dag lief en leed deel?


Als ik mijn dilemma aan een humanistisch raadsman voor zou leggen, vertelt hij me vast dat verantwoordelijkheid een kernwaarde van het humanisme is. Een mens hoort verantwoordelijkheid te dragen voor zijn medemensen. Maar waar begint of eindigt die verantwoordelijkheid, vraag ik hem. Ben je voor iedereen even verantwoordelijk of zit er een rangorde in? Mag ik de zorg voor studenten, vrienden of buren belangrijker vinden dan die voor een tante?

Mijn fictieve raadsman zal zeggen dat ‘intimiteit’ een goede graadmeter is voor verantwoordelijkheid. Hij wijst me op de serie concentrische cirkels waarmee de stoïcijn Hierocles uitdrukking gaf aan de verschillende niveaus van intimiteit: de eerste cirkel draait om jezelf, de tweede om naaste familie, de derde om verre familie, dan buren, stads- en landgenoten en tot slot de hele mensheid.Maar, zo werp ik tegen, mijn vriendin staat toch dichter bij me dan mijn verre tante? Ik breng Aristoteles in stelling. Bij hem is verantwoordelijkheid gebonden aan een gedeeld persoonlijk of politiek leven. Kinderen, geliefde, ouders, vrienden en medeburgers krijgen voorrang boven mensen ver weg – zelfs als die laatsten familieleden zijn.

Mijn raadsman zal mij voor de voeten werpen dat je in deze tijd gemeenschappelijkheid ook op afstand tot stand kunt brengen. Neem de telefoon, voer een Skype-gesprek of nog beter: pak een vliegtuig naar Nieuw-Zeeland. Je zult zien dat je binnen de kortste keren de intimiteit hebt hersteld.Voor ik kan antwoorden gaat de bel. Het is mijn vriendin. Ik raak haar even aan, snuif haar geur op, kan haar zien en horen zonder dat er iets anders dan kleding en lucht tussen ons in zit. “Ga je mee schaatsen?” vraagt ze. “Nu kan het nog.” Ik aarzel geen moment, pak mijn spullen en trek de deur achter me dicht. Dat telefoontje met mijn tante kan wel even wachten.