Mijn broer is ziek

4 april 2018

Mijn broer is ziek

Elf keer in veertig jaar: filosoof MARLI HUIJER zag haar geëmigreerde broer maar zelden. Nu is hij ziek en wil hij haar vaker zien, want hij wil ‘meer
familiegevoel delen’. Maar is dat er nog wel? Of bestaat er ook zoiets als een morele plicht zorg en aandacht te geven aan een broer of zus?

Mijn broer is ziek. Hij wil me daarom vaker zien. Niet om hem te verzorgen - daarvoor woont hij te ver weg -, maar om het familiegevoel te delen. De afgelopen veertig jaar hebben we elkaar hooguit tien keer in levenden lijve gezien. Ik kon het niet nalaten verwonderd te reageren. Familiegevoel? Stelt dat nog wat voor als je elkaar al een eeuwigheid geleden hebt losgelaten?

Familiegevoel
Op de wc van het café, waar we een biertje dronken om te vieren dat hij een weekje in Nederland was, vroeg ik me af wat de overwegingen zouden kunnen zijn voor het hebben van een familiegevoel. Allereerst een biologische natuurlijk. Leg ons DNA naast elkaar en je zult zien dat er een groot aantal overeenkomsten is tussen hem en mij. We hebben dezelfde huidskleur, dezelfde kleur ogen en hetzelfde haar. Oppervlakkig gezien lijken we op elkaar. Toch is er in de expressie van het DNA ook een grote variatie opgetreden. Onze levens zijn zo anders verlopen, onze kinderen lijken zo weinig op elkaar dat het niet overtuigt om op de biologie een familiegevoel te baseren.

Zou het lukken met het begrip ‘gedeelde jeugd’? Zeventien jaar lang deelden we dezelfde ouders, dezelfde huizen, deels dezelfde scholen en dezelfde buurkinderen. Legt die gedeelde jeugd een fundament waarop je je later kunt beroepen? Dat zou misschien zo zijn als er één ouderlijk huis was geweest, maar in ons geval waren dat er zeven. Ruimtelijk is er geen fundament om op terug te vallen. Het zou misschien zo zijn als onze ouders langer hadden geleefd en de gemeenschappelijke herinneringen in stand hadden gehouden, maar dat deden ze niet. Of als wij kinderen ons in onze leefstijlen minder ver van hen hadden verwijderd, mijn broer door fysiek te vertrek ken, ik door afstand van hun geloof te nemen.

Afvalligen
De enkele keer dat mijn broer en ik nu over onze jeugd spreken, zijn onze herinneringen zo verschillend dat ik me soms afvraag of we werkelijk samen zijn opgegroeid. ‘Gedeelde opvattingen’ dragen evenmin bij aan warme familiegevoelens. De wijze waarop mijn streng gelovige familie in de jaren zeventig op mijn geloofsafval reageerde, verschilt weinig van wat afvallige moslims nu te verduren hebben. De eindeloze moeizame gesprekken over dat ‘je zo anders’ was, dat alles wat je deed zondig was, dat het niet goed met je zou aflopen en dat je kinderen voor galg en rad zouden opgroeien, dreven me tot wanhoop. Als ongelovige ben je ‘een niemand’, zoals mijn moeder kort voor haar dood zei. Met hoeveel zorg ik haar ook omringde, ze voelde zich diep eenzaam omdat er geen gelovigen aan haar sterfbed zaten. Mijn broer en ik raken het onderwerp geloof niet meer aan, het is te precair en drijft ons ook nu nog uit elkaar.

Plicht
Het voelde niet goed om langer op die wc te blijven, mijn broer kwam immers voor mij. Toch wilde ik nog één gedachte uitproberen. Is er een morele plicht tot familiegevoel? In de relatie tussen ouders en kinderen spreekt die voor zich: ouders zijn moreel (en wettelijk) verplicht om goed voor hun kinderen te zorgen. Andersom is die plicht minder zwaar, maar helemaal afwezig is deze niet. Tussen broer en zus lijkt me dat die plicht geldt als je dicht bij elkaar woont en veel met elkaar hebt opgetrokken. Maar als dat niet het geval is, dan verdienen mensen die nu nabij zijn meer zorg en aandacht dan verre broers of zussen.

Ik waste mijn handen en liep terug naar de cafétafel. Mijn broer zag er kwetsbaar en verloren uit. Ooit was hij gezond en stralend vertrokken, gelokt door het avontuur in de nieuwe wereld. Hij had daar successen en misfortuin gekend, geluk en diep verdriet ervaren, kinderen gekregen en deze ook weer moeten loslaten. Zijn pijn over de emigratie sneed plots door mijn ziel. Had ik hem indertijd moeten tegenhouden? Had ik moeten zeggen dat hij altijd heimwee zou blijven hou den? Dat op de lange duur uit het oog uit het hart betekent? Of vergiste ik me en bestond de pijn over het eigen vertrek en het verlangen naar de zus alleen maar hier in Nederland? Zou er ginds ook familiegevoel zijn?

Kwetsbaar
“Hoe vaak wil je naar Nederland komen en me zien?”, vroeg ik. Het leek wel een gesprek tussen ex-geliefden. “Twee keer per jaar”, antwoordde hij. Mijn gevoel zei me dat het te veel was, maar ik durfde niet naar dat gevoel te handelen. De reeks overwegingen die ik op de wc had uitgedacht, waren niet bestand tegen de kwetsbare aanwezigheid van de broer die hier en nu naast me zat. “Dat is goed”, zei ik. “Laat het maar weten als je weer komt.”

Mijn broer lachte: “Zo ken ik je weer, zus.”

Deze column verscheen in Human Magazine #1 2018 over familiebanden. Lees meer, bijvoorbeeld een interview met Hugo Borst en Carin Gaemers.